De economische differentie : de tijdelijkheids-vergetelheid

De economische differentie : de tijdelijkheids-vergetelheid

Theoretische exercise – het wezen van de tijd

Waarom blijft een fundamenteel fenomenologisch, ontologisch economisch debat achterwege? Een debat waar het onverborgene of het wezen van de economie wordt gelicht. Is het calculerend economisch nutsdenken een belemmering voor een bezinnend na-denken over de basis axioma’s van de economie. Het dictaat van de democratische kapitalistische consumptiemaatschappij in crisis vereist “fundamenteel” vernieuwde economische percepties over tijd en arbeid om de structurele opbouw van de post-kapitalistische maatschappij mede te conceptualiseren.

De economie lijdt aan tijds- & ruimtevergetelheid zoals initieel in de filosofie er een zijns-vergetelheid was. Waar de ontologische differentie onze aandacht verlegde van het zijnde naar het zijn , willen we met onze duiding van de economische differentie het ‘wezen’ van de economische paradigma’s ontologisch ontbergen. We verschuiven onze aandacht van de economische verschijningsvormen, het voorstellen, naar het “aandenken” nl het dankend denkend economisch wezen.

In dit essay willen we dit aandenken toespitsen op het economisch begrip tijd, een kernvariabel in de economisch voorstellende wereld. Het begrip tijd licht niet meer en is ingekapseld en verduisterd door de bevreemdende economische axima’s.

Als de tijd geen zijnde is , de tijd hierbij ook geen waarde heeft, is ze ook niet verhandelbaar. Als hierbij tijd geen tijd heeft en de maat van tijd niet Nu is wat is dan nog de zin van de economische tijd? Door de horizonversmelting van de tijd heeft tijd geen tijd en is er in wezen ook geen economische tijd.

Om dit te verklaren moeten we de economische tijd lichten binnen het perspectief van de ‘tijdelijkheid’ , haar geschiedmatigheid zijnde de ‘gewezen-tegenwoordige toekomst’. Het is een vooruithandelen, aandenken dat we plaatsen tegenover de symbool-economie waar enkel het vulgaire monetaire tijdsbegrip geldig is. Een tijd die gekenmerkt wordt door een ‘ vergetend-tegenwoordigend wachten ’. Een afgrond van het teveel aan monetair tijdshandelen.

Dat de economie tot een symbool-economie met een voorstellende denken is verworden is te wijten aan hun oersymbool van de waardebepaling door verdiscontering reflecterend in de prijs. Ze denken ‘bij de tijd’ te zijn in hun ijle geest van vooruitgang en nuttigheid. Doch de eigenlijke tijden zijn echter niet maakbaar maar overkomen ons.

De economie baseert zich op het vulgaire tijdsbegrip, een functionele grootheid , maar zonder zich te bekommeren om de grond van het wezen van de tijd. In de wetenschap zijn er twee types van abusievelijk gebruik van de tijd namelijk zoals de economie die conceptualiseert “wat niet is” dit in tegenstelling met de positieve wetenschap met een tijd zonder toekomst want ze conceptualiseert enkel de dingen met een tijd tot nu .
Om het wezen van de tijd te analyseren richten moeten we ons tot twee ontologische begrippen het Erzijn (Dasein) en de Tijdelijkheid (Zeitlichheit). Het Dasein is het bewust-in de-wereld zijn in deze casus de Homo Economicus. De kenmerken die we aan dit zijnde kunnen blootleggen zijn dus geen voorhanden ‘eigenschappen’ van een zus of zo ‘ogend’ voorhanden zijnde, maar telkens mogelijke manieren om te zijn, en niets anders. Tijdelijkheid duidt hier op de mogelijkheid om vanuit zijn geworpenheid , ontwerpend vooruit te handelen binnen zijn eindigheid of anders uitgedrukt ‘de gewezende toekomst die de tegenwoordigheid uit zichzelf vrijlaat’ . Dit impliceert een bewust er zijn en de dynamiek van ‘te zijn hebben’ .
Omdat ‘het zijn van het Dasein zijn zin vindt in de tijdelijkheid of de gewezende-tegenwoordige-toekomst’ hebben de economisten het verkeerd voor om dit vooruitlopen deze als waarde te definiëren door de toekomstige tijd te verdisconteren . Dit wil zeggen de voorhanden zijnde eigenschappen extrapoleren en symboliseren in de geactualiseerde prijs. Hierbij verwaarlozen zij dat de toekomst niet doelt op een ‘nu’ dat nog niet ‘werkelijk’ is geworden en dat ooit zal zijn. De toekomst impliceert echter de komst waarin het erzijn in zijn oereigen kunnen-zijn op zichzelf komt. De economisten zijn de mening toegedaan dat zij deel uitmaken van het scheppingsproces door in het heden waarden toe te kennen aan de toekomst.

Bij de economisten heeft de toekomst meer te bieden en gaat het nieuwe wat nog niet is vooraf aan het heden of verleden. De idiocratie is hier dat zij de mening zijn toegedaan de tijd te kunnen verhandelen of te mishandelen. Als wetenschap van het verlangen of negatief uitgedrukt van het gemis denken de economisten deze leegte te kunnen opvullen door een anticiperende omgang met de tijd. De toekomst is de invulling van de leegte, van de afgrond van het nu. Het actualiseren van al deze toekomstige verlangens naar het heden is pas leven volgens hen. Zij verdragen de afwezigheid en het uitstel niet en willen de invulling van de begeertes onmiddellijk bevredigd zien. De toekomstige mogelijkheden moeten zo snel mogelijk verwerkelijkt worden om de leegte van het heden op te vullen.Voor de economisten blijft daarbij de relatie tussen de eigenlijke tijd en zijn ruimte-achtige verbanden een ongekend gegeven.

Met de economische cultuur van de nu-tijd vertonen de economisten een bijzondere arrogantie gezien ze stellen de waarde doorheen de tijd te kunnen berekenen en dus de ‘tijdelijkheid’ te kunnen beheersen . Met deze perceptie valideren zij de ondernemingen, de investeringen en het economisch handelen. Ze zijn zo verwaand dat ze kunnen handelen over de tijden heen dank zij hun geloof in de verdiscontering van de toekomst. Hierbij wordt de soevereiniteit van de economische agent , het Dasein, en het economisch goed , het zijnde, opgeheven voor het toekomstig project. Dit is een uiterst bizarre visie van de realiteit, gezien voor hen een economische entiteit pas bestaat indien de actualisatie van de potentiële mogelijkheden of de opvulling van de leegte groter is dan nul. Das Ding an sich bestaat dus niet meer en de gewezenheid wordt verloochend voor een “artificieel” waar-toe moment of een nu-moment in haar gevallenheid. Zij heffen het doorleefde nu op voor de geactualiseerde toekomst en hebben zoals vele andere religieuze vormen hiervoor een eigen lijdensindicator uitgevonden, namelijk de intrestvoet, het offer om in het heden te mogen handelen. Het is het economiseren van de christelijk boodschap ‘in naam van het toekomstig geluk moet je heden lijden’. De grondvoorwaarde van de economisch entiteit , nl. dat het bestaat, wordt verworpen, waardoor een onmogelijkheid ontstaat gezien de wet van de toereikende grond luidt :”Nihil est sine ratione” (Niets is zonder grond) .De existentiële waarde is opgeheven voor de ruilwaarde als een som van verdisconteerde illusies. Er wordt hiermede de indruk gegeven van toekomstgericht te zijn maar het is slechts één moment van de tijd zijnde de tegenwoordige. De economie laat de toekomst niet toe-komen. De openheid naar het on-gedachte wordt uitgesloten door de regel van de zekerheid naar het nu d.m.v. de verdiscontering. Daarnaast vertonen ze nog een Jacobijns economisch gedrag waarbij het verleden wordt gezien als iets dat zo snel mogelijk moet overwonnen worden. Er wordt vergeten dat het gewezend deel van de tijd , het verleden, kenbaar is, zodat deze altijd ‘voor’ ons ligt.
Het “Nu” is geen stip in de lange tijd, maar een moment om ter hand te nemen of uit handen te geven. Het nu geeft het “ge-ëigende tijdstip” aan door de beleefde wereld waarin het voorhanden ter hande wordt genomen en de dingen tijd nemen (waarin het handelen tijd neemt en niet de tijd het handelen) en waarbij de dingen hun eigen ruimte brengen.

Doordat de economie zich beperkt tot de dingen om zich heen ligt haar primaat op het heden waarbij de toekomst in het heden wordt verwacht en gepland waarbij de aanreiking of de gave vanuit het verleden ,dat ons vooruitloopt, vergeten wordt. De armoede van de economie ligt erin dat zij vervallen is aan het voor de hand liggende, waarbij haar begrip van economisch zijn door de tijd ipv tijdelijkheid wordt bepaalt.

Een economische waarde zal niet meer bepaald worden door haar tijd (t) maar de ruimtelijkheid (R) van het zijn en het zijnde in haar tijdelijkheid (T) en als volgt bepaald :

(t) = Oneigenlijke tijd = Mechanische tijd
– Opeenvolgend, na elkaar
– Continue
– Homogeen (kwantitatief)
(R) =
– Gelijktijdig, naast elkaar
– Discontinue
– Homogeen (kwantitatief)
(T)
– Gelijktijdig, naast elkaar
– Continue
– Heterogeen (kwalitatief)

waarin dan
(T) = (R)
– aanwezigheid is verschillend van t(0) => t(0)
– geweest- zijn is verschillend van t(-n)
– toe-komende is verschillend van t(+n)

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *