De economie weet niet

De economie weet niet

De economie weet niet
De Symbool- of de Gestalteconomie ,met haar tijd als “het vergetend tegenwoordigend wachten”.

De economie is een Gestalt-economie met een voorstellende denken , waar haar oersymbool van de marktprijs als enige zaligmakende maatstaf van de mensheid geldt.

Zo wordt de kapitaalmarkt gestuurd door de “P” (de beursprijs – zie katern 2), de reddende heelkundige tovenares, het oersymbool dat eindelijk de voorstelling is van het ‘verhevene’ waarmede kan geleefd worden. De beurskoers, als een Apollinische gedachte die de gruwel van het kapitalisme verdoezelt door de indruk te geven dat er een rationele mathematische waarheidsgedachte (P) drager is van deze geldeconomie. Een economie gestuurd door een groep dégénérés, de geldzieke armen van geest die bidden voor de kribbe van het geld.

Augustinus schreef in een van zijn preken :”De mensen zeggen De tijden zijn slecht. Maar wij zijn de tijden, de tijden zijn wat wij er van maken”. Wie maakt nu deze slechte tijden?. Zijn het ook de economisten als eenvoudige dienaren van gokverslaafde en geldzieke egoïsten van de kapitaalmarkt die menen de tijden te kunnen maken ? De vermeende geciviliseerden die denken ‘bij de tijd’ te zijn in hun ijle geest van vooruitgang en nuttigheid. Doch de eigenlijke tijden zijn echter niet maakbaar maar overkomen ons. De economisten zijn de menig toegedaan dat zij deel uitmaken van het scheppingsproces door in het heden waarden kunnen toe te kennen aan de toekomst.

De economisten lenen zich tot het fatsoeneren van het walgelijk monetair gedrag dmv hun economische modellen van verdiscontering met als politiek pasmunt het volkskapitalisme waar iedereen, in naam van de Absolute gelijkheid, zijn gok mag doen. Hoe meer zielige zielen hoe meer verwaande vreugde in naam van de gelijke verzadiging voor allen . Hierbij is geld een religie, een geloof dat een virtuele realiteit zijnde de geactualiseerde verwachte (vermeende) opbrengsten, de reële waarde aan het leven geeft. Men baseert zich op het vulgaire tijdsbegrip, een functionele grootheid , maar zonder zich te bekommeren om de grond van het wezen van de tijd. De economie conceptualiseert abusievelijk “wat niet is” dit in tegenstelling met de positieve wetenschap die werkt met een tijd zonder toekomst want ze conceptualiseert enkel de dingen met een tijd tot nu .
Om het wezen van de tijd te analyseren richten we ons tot twee ontologische begrippen het Erzijn (Dasein) en de tijdelijkheid (Zeitlichheit). Het Dasein is het bewust-in de-wereld zijn in deze casus van de Homo Economicus. De kenmerken die we aan dit zijnde kunnen blootleggen zijn dus geen voorhanden ‘eigenschappen’ van een zus of zo ‘ogend’ voorhanden zijnde, maar telkens mogelijke manieren om te zijn, en niets anders. Tijdelijkheid duidt hier op de mogelijkheid om vanuit zijn geworpenheid , ontwerpend vooruit te handelen binnen zijn eindigheid of anders uitgedrukt ‘de gewezende toekomst die de tegenwoordigheid uit zichzelf vrijlaat’ (GTT). Dit impliceert een bewust er zijn en de dynamiek van ‘te zijn hebben’ .
Omdat ‘het zijn van het Dasein zijn zin vindt in de tijdelijkheid of de gewezende-tegenwoordige-toekomst’ dachten de economisten dat zij in dit vooruitlopen nuttigheid moesten fixeren nl een waarde bepalen door de toekomstige tijd te verdisconteren . Dit wil zeggen de voorhanden zijnde eigenschappen extrapoleren, verdisconteren en symboliseren in de geactualiseerde prijs. Hierbij verwaarlozen zij dat de toekomst niet doelt op een ‘nu’ dat nog niet ‘werkelijk’ is geworden en dat ooit zal zijn. Toekomst doelt echter op de komst waarin het erzijn in zijn oereigen kunnen-zijn op zichzelf komt.

Bij de economisten heeft de toekomst meer te bieden en gaat het nieuwe wat nog niet is vooraf aan het heden of verleden. De idiocratie is hier dat zij de mening zijn toegedaan de tijd te kunnen verhandelen of te mishandelen. Als wetenschap van het verlangen of negatief uitgedrukt van het gemis denken de economisten de nu-leegte van het volkskapitalisme te kunnen opvullen door een anticiperende omgang met de tijd. De toekomst is de invulling van de leegte, van de afgrond van het nu. Het actualiseren van al deze toekomstige verlangens naar het heden is pas leven volgens hen. Zij verdragen de afwezigheid en het uitstel niet en willen de invulling van hun begeertes onmiddellijk bevredigd zien. De toekomstige mogelijkheden moeten zo snel mogelijk verwerkelijkt worden om de leegte van het heden op te vullen.Voor de economisten blijft daarbij de relatie tussen de eigenlijke tijd en zijn ruimte-achtige verbanden een ongekend gegeven. Tijd is in wezen niet, later en vroeger zijn slechts variaties op ervoor/erna waardoor Tijd ruimte is.

Met de economische cultuur van de nu-tijd vertonen de economisten een bijzondere arrogantie gezien ze stellen de waarde doorheen de tijd te kunnen berekenen en dus de ‘tijdelijkheid’ te kunnen beheersen . Met deze perceptie valideren zij de ondernemingen, de investeringen en het economisch handelen. Ze zijn zo verwaand dat ze kunnen handelen over de tijden heen dank zij hun geloof in de verdiscontering van de toekomst (zie Katern 2). Hierbij wordt de soevereiniteit van de economische agent , het Dasein, en het economisch goed , het zijnde, opgeheven voor het toekomstig project. Dit is een uiterst bizarre visie van de realiteit, gezien voor hen een economische entiteit pas bestaat indien de actualisatie van de potentiële mogelijkheden of de opvulling van de leegte groter is dan nul. Das Ding an sich bestaat dus niet meer en de gewezenheid wordt verloochend voor een “artificieel” waar-toe (of een nu) moment in haar gevallenheid. Zij heffen een “doorleefde nu” op voor de geactualiseerde toekomst en hebben zoals vele andere religieuze vormen hiervoor een eigen lijdensindicator uitgevonden, namelijk de intrestvoet, het offer om in het heden te mogen handelen. Het is het economiseren van de christelijk boodschap ‘in naam van het toekomstig geluk moet je heden lijden’. De grondvoorwaarde van de economisch entiteit , nl. dat het bestaat, wordt verworpen, waardoor een onmogelijkheid ontstaat gezien de wet van de toereikende grond luidt :”Nihil est sine ratione” (Niets is zonder grond) .De existentiële waarde is opgeheven voor de ruilwaarde als een som van verdisconteerde illusies. Er wordt hiermede de indruk gegeven van toekomstgericht te zijn maar het is slechts één moment van de tijd zijnde de tegenwoordige. De economie laat de toekomst niet toe-komen. De openheid naar het on-gedachte wordt uitgesloten door de regel van de zekerheid naar het nu d.m.v. de verdiscontering. Daarnaast vertonen ze nog een Jacobijns economisch gedrag waarbij het verleden wordt gezien als iets dat zo snel mogelijk moet overwonnen worden. Er wordt vergeten dat het gewezend deel van de tijd , het verleden, kenbaar is, gezien deze altijd ‘voor’ ons ligt.

Het “Nu” is geen stip in de lange tijd, maar een moment om ter hand te nemen of uit handen te geven.
Het nu geeft het “ge-ëigende tijdstip” aan door de beleefde wereld waarin het voorhanden ter hande wordt genomen en de dingen tijd nemen en waarbij de dingen hun eigen ruimte brengen. Het handelen neemt tijd neemt en niet de tijd het handelen.

Doordat de economie zich beperkt tot de dingen om zich heen ligt haar primaat op het heden waarbij de toekomst in het heden wordt geëist en berekend. De aanreiking of de gave vanuit het verleden ,dat ons vooruitloopt, wordt vergeten.
De economie weet niet, omdat zij vervallen is aan het voor de hand liggende, waarbij haar begrip van economisch zijn door de tijd ipv tijdelijkheid wordt bepaalt.

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *