De epistemologie van de poëtische rede (razón poética) van María Zambrano als reddingsboei voor een barbaarse economie
Abstract
De hedendaagse economie lijdt aan een verarming van haar ethische, existentiële en gemeenschapsvormende fundamenten. Dit artikel stelt dat de epistemologie van de razón poética van María Zambrano een alternatief biedt voor de huidige, utilitaristisch gedomineerde economische rationaliteit. De poëtische rede herstelt de band tussen gevoel, herinnering, droom en logos, en maakt zo een herintegratie van subjectieve, ethische en spirituele dimensies binnen het economische denken mogelijk. Deze epistemologie impliceert een verschuiving van optimalisatie naar betekenis, van instrumentele naar relationele logica, en van accumulatie naar resonantie. Het paper onderzoekt de conceptuele grondslagen van de poëtische rede, haar filosofische wortels, en haar economische implicaties voor het individu, waaronder de herwaardering van tijd, de herdefinitie van arbeid, en de herinvoering van moreel-affectieve correctiemechanismen zoals beschaming. Hiermee opent zich een relationele economie die niet de beheersing, maar het ontvankelijk bewonen van de wereld centraal stelt.
Trefwoorden
María Zambrano; poëtische rede; economische epistemologie; relationele economie; beginsel-ethiek; symbolische waarde; ont-economisering van tijd; Homo Economicus; resonantietheorie; filosofische economie.
1. Economie als gesloten epistemologie
De ontmenselijking die door de economie wordt veroorzaakt – of juister: door individuen die actief deelnemen aan de ontmenselijking van zichzelf en de gemeenschap – vindt in de poëtische rede een mogelijke reddingsboei. Gómez-Cadavid (2013) stelt: “Poëtische rede beperkt zich niet tot een louter literair veld of een artistiek genre, omdat ze reflecties en vitale praktijken mogelijk maakt in de symbolische en discursieve wereld waarin we leven.”1
Het belichamen van economie en economische handelingen met de poëtische rede zal het consumptie- en kapitaalverlangen transformeren in plaats van hervormen, richting een meer gehumaniseerde samenleving waar de zelfzuchtige economie – gericht op beheersing en vervreemding – maatschappelijk beschaamd wordt.
De mens heeft angst voor alles wat vaag, onlogisch of irrationeel is en vlucht in de dictatuur van de rationele rede, op zoek naar zekerheid: het pad van de vigilia (het waken). Deze eenzijdige vorm van bestaan verbant gevoel, herinnering, mysterie, droom, verdriet en vreugde. Eros is in dit denken vernietigd. Cristina Campo zou met de metafoor van “de paarse vleugel” zeggen dat de overgang naar naastenliefde (agape) is verdwenen. Volgens Bart (2019) is het precies de overgang van eros naar agape die de mystieke ervaring vormt en die tot stand wordt gebracht door het poëtisch woord.2
Als surrogaat bewandelt de mens het pad van zinloze consumptie, kapitaalaccumulatie en onverzadigbaar winstbejag. De economische rationaliteit is louter gericht op optimalisatie en controle, en blijft epistemologisch gesloten. Zij vertrekt vanuit een wereldbeeld zonder ruimte voor wat Zambrano noemt el alma (ziel), el silencio (stilte) of el clamor (innerlijke roep).
Economische relaties zijn echter niet neutraal of puur rationaal, maar altijd affectief, betekenisvol en belichaamd. De economische ratio onderdrukt deze peilers, verziekt en belemmert de dagelijkse hergeboorte, het ontwaken om geboren te worden. De economische handeling sluit de ervaring van de verwondering uit waardoor het een dwingend systeem wordt dat ongelijke gelijk wenst te maken en hiervoor totalitair economisch geweld hanteert.
De economische ratio onderdrukt deze dimensies en belemmert de dagelijkse hergeboorte. Santacruz-Ibarra (2013) citeert Zambrano’s Horizonte del liberalismo: “De fout van het rationalistische liberalisme, zijn onvruchtbaarheid, in het verbreken van de mens, niet alleen met het bovenmenselijke, maar ook met het ondermenselijke, met het onderbewuste. Deze minachting voor verlangens, passies, deze minachting voor geloof, liefde.”3
Ook economische actoren delen deze fout: verlangens worden gereduceerd tot verhandelbare producten. Volgens Zambrano kunnen de spirituele uitgangspunten van het liberalisme niet gerealiseerd worden met een liberale economie. Economisch handelen dat afstand neemt van zowel boven- als ondermenselijke dimensies leidt tot slavernij aan consumptie, kapitaalaccumulatie en economisch geweld.
Een levensvatbare economie vereist openheid voor het delirium – een existentiële en epistemologische staat, bewust en niet-geforceerd, die ontsnapt aan de dictatuur van de ratio en ruimte creëert voor ontvankelijkheid en vernieuwing (Zambrano, 1989).4 Het is een staat waarin de gebruikelijke logische verbanden en de rigide structuren van de economische ratio worden opgeschort. Geen chaos in de negatieve zin, maar een moedige daad van de ziel die weigert zich te laten reduceren. Een actieve ontvankelijkheid die ruimte creëert voor iets nieuws.
De individuen, gevangen in een patroon van slavenmoraal, missen schaamte en hanteren een economische taligheid – doorweven met misleidende metaforen en ideologische symbolen – om hun pathologisch handelen te legitimeren. Meningen zonder grond in waarheid nemen de plaats in van ideeën, waardoor macht en geweld van de economie domineren en ontworteling zich verspreidt. Economisch handelen sluit poëtisch en ethisch denken uit en fnuikt het pad naar het Leven: het vervulde leven (vida cumplida).
Volgens Zambrano is het leven bij de geboorte onaf en gefragmenteerd. De mens is een wezen van noodzaak (necesidad), een lege ruimte die moet worden gevuld. Dit leidt tot een interne strijd tussen rede (razón) en ziel (alma), en tot een externe strijd tussen individu en wereld, waarin de Homo Economicus de ziel en de wereld heeft overheerst.
De mens is echter een transcendent wezen dat zichzelf moet herscheppen. Matito (2020) stelt: “De mens is voortdurend in verandering en transformatie, en daarom moeten we in de duisternis van het moment aandacht schenken aan de tekenen die een dageraad ontdekken, een aurora van waaruit het mogelijk is om je een andere situatie voor te stellen, een meer menselijke manier van leven.”5 Niet de wil tot economische macht maar de wil tot transformatie, de humanisering van de maatschappij wordt de kern van onze existentie en van de economische handelingen.
Door de reductie van denken tot rationele rede worden wij wezenloze, ontwortelde individuen. Von Saenger (2016) wijst erop dat door deze zijnsvergetelheid het sacrale wordt buitengesloten, waardoor nieuwe realiteiten niet meer kunnen worden ervaren.6 Hierdoor manifesteert zich continue een ongekend gevoel van onbehagen. Een waarachtig ontwaken is volgens Blesa (2022) een ontwaken door geboren te worden – een ontvankelijkheid voor de Brede Rede waarin poëtisch verstaan evenwaardig is aan rationeel verklaren.7
2. Wat bedoelt Zambrano met poëtische rede?
Volgens Zambrano is poëtische rede een vorm van denken die speculatieve grenzen verlegt via intuïtie en verbeelding. Poëzie en rede vullen elkaar aan: poëzie vangt de intieme realiteit, de radicale heterogeniteit van het bestaan (Blanco-Martínez, 2013).8
Het poëtische impliceert poiesis (voortbrengen) en aletheia (onthulling). Rede is bij Zambrano niet louter ratio, maar logos – een wijze van spreken die verzamelt en tot rust laat komen (Quero, 2024).9
Via zelfloosheid ontmoet men stilte, leegte – de niet-plaats- en devotionele ontvankelijkheid. Daarin ontvouwt zich een aurora waarin poiesis en aletheia samenkomen (Acevedo, 2008).10 Alleen zo kan men het vervulde leven (vida cumplida) omarmen.
De poëtische logos herstelt menselijke waardigheid en opent een epistemologische ruimte waarin ethiek en subjectiviteit centraal staan.Een diepere manier van denken en spreken die de zijnsvergetelheid en het dominant economisch egocentrisch handelen opheft. Haar doelstelling is schepping van zijn, die altijd aanwezig was vóór het denken. Het is een methode, een epistemologie die – via sensitiviteit, metafoor en symbool – de diepere, onzegbare lagen van de werkelijkheid doet oplichten, inclusief de ethische dimensies van het economisch handelen. Het is een poging om mens en wereld te herenigen, voorbij de fragmentatie van de ratio, in een vernieuwd verstaan van de zin van het bestaan, het Leven (viver pensadaemente). Het leven moet leven voordat men erover denkt. Paden van hoop in plaats van het vluchtpad van de kapitaal- en goederenaccumulaties waar de wereld als een vreemde of vijandig wordt gepositioneerd. De vlucht van het individu beangstigd om ‘in-de-wereld-te-leven’ en als functioneel object “van-de-wereld “zich verzadigt op het pad van de materiële obesitas.
3. De poëtische logos als huis van de economie
De wisselwerking tussen filosofie, poëzie en religie maakt Zambrano’s methode uniek (Burgos-Lafuente, 2016).11 Een bijbels beeld hiervan is Christus die de handelaars uit de tempel verdrijft (Mattheüs 21:12–13). De tempel is een huis van gebed, maar door handel een rovershol geworden. Zo is de wereld ons huis van leven, dat door economische reductie tot roof is verworden.
De poëtische logos fungeert als “huis van de economie”: geen optimalisatie, maar ruimte voor ontvouwend leven. Ethiek wordt eerste economie – een beginsel-ethiek gebaseerd op openbaring en resonantie.
De toepassing van María Zambrano’s epistemologie van de razón poética binnen de economische sfeer impliceert een fundamentele herijking van de relatie tussen mens, economie en wereld. Waar de klassieke economische rationaliteit primair gestuurd wordt door instrumentele doel-middelrelaties, utilitaristische optimalisatie en kwantificeerbare efficiëntie, opent de poëtische rede een epistemologische ruimte waarin het economisch handelen wortelt in betekenis, verbondenheid en onthulling (aletheia) in plaats van exploitatie. Dit heeft diepgaande implicaties op micro-economisch niveau, met name voor het individu.
Wat zijn de economische implicaties voor het individu bij implementatie van de poëtische rede ?
1. Vermindering van overproductie en overconsumptie
De reductie van productie en consumptie vloeit voort uit een verschuiving van economische waardering: van nut (utility) naar betekenis (meaning). In plaats van het maximaliseren van preferentiebevrediging wordt economische besluitvorming georiënteerd op het gehoor geven aan datgene wat zich aandient als intrinsiek waardevol, in resonantie met mens en wereld.
Het individu wordt niet langer beschouwd als een geïsoleerde consumptie-eenheid, maar als participant in een bezield geheel (lo sagrado), waarbij goederen en diensten niet louter worden geproduceerd omwille van ruilwaarde, maar als uitdrukking van een relationele en culturele betekenis. Het gevolg is een reductie van de ‘vluchtwegen’ van consumptie, waarin behoeften worden gecreëerd om een structurele leegte te maskeren, en een heroriëntatie naar duurzame en contextueel verankerde productie.
Waarde verschuift van nut naar betekenis. Consumptie wordt relationeel en symbolisch ingebed, niet langer een vluchtpad voor leegte.
2. Tijd als ont-economiseerd domein
De poëtische rede ondermijnt de economisering van tijd als louter schaars productiefactor. Duur, afwachting en ontvankelijkheid worden herkend als legitieme economische krachten. Dit betekent dat economische modellen ruimte moeten creëren voor niet-lineaire temporele structuren waarin wachten, rijpen en stilstaan als waardevolle modaliteiten gelden. Rente wordt in deze logica herzien als een vorm van temporele toe-eigening – het onrechtmatig claimen van andermans tijdsruimte – waardoor kapitaal wordt hergeconceptualiseerd tot een neutraal ruilmiddel en geld opnieuw een symbolische representatie wordt in plaats van een accumulatiefetisj. Deze temporaliteitsomslag brengt de economie dichter bij fenomenologische tijdservaringen in plaats van abstracte, homogene kloktijd.
Duur, wachten en ontvankelijkheid worden economische krachten. Rente wordt herkend als temporele toe-eigening; geld keert terug naar symboliek.
3. Van Homo Economicus naar Homo in mundo
De klassieke Homo Economicus wordt in deze benadering vervangen door een subject dat erkend wordt als voelend, zoekend en kwetsbaar, ingebed in relaties en afhankelijk van contingente omstandigheden. Kwetsbaarheid, verwondering en het ongrijpbare worden volwaardige parameters in economische modellen en besluitvormingsprocessen. Hierdoor verschuift het analytisch paradigma van een top-down optimaliserend model naar een relationeel, emergent en ethisch-responsief model, waarbij het subject niet van de wereld is – als eigenaar of verbruiker – maar in de wereld leeft, als co-bewoner.
Het subject wordt erkend als kwetsbaar en relationeel. Economische modellen incorporeren contingentie en affectieve parameters.
4. Homo Economicus als vita activa
In lijn met Hannah Arendts vita activa wordt de economische actor niet primair gedefinieerd door arbeid als productiefunctie (Homo Labor), maar door arbeid als zinvolle existentiële activiteit (Homo Vita). Individuele economische handelingen worden geëvalueerd op hun vermogen tot het creëren van resonante relaties (Hartmut Rosa), waarin ontvankelijkheid en gevoelsmatige betrokkenheid voorrang hebben op utilitaristische calculatie. Arbeid verliest zo haar reductie tot tewerkstelling en wordt hersteld als levenspraktijk waarin het relationele en het creatieve samenvallen.
Arbeid wordt niet louter tewerkstelling maar een existentiële praktijk (Homo Vita). Economische handelingen worden getoetst op resonantie en ontvankelijkheid.
5. Beschaming als moreel-economische correctie
In een context waarin juridisering de publieke ruimte verstijft, kan een sociaal concept “beschaming” – opgevat als moreel-affectieve grensstelling – fungeren als subtiele maar krachtige correctiemechaniek. Door publiekelijk en intersubjectief de excessen van financiële accumulatie en consumptiedrift aan te wijzen, wordt een ‘relationele economie’ bevorderd waarin sociale erkenning en morele verantwoordelijkheid centraal staan. Beschaming fungeert hier niet als stigmatisering, maar als herstel van maat en proportie, een sociaal tegengewicht tegen de pathologie van de grenzeloze ‘financiële obesitas’. De “humaniserende beschaming” maakt de poëtische rede tot een actieve politieke en sociale kracht.
Beschaming functioneert als subtiele rem op excessieve accumulatie en opent ruimte voor relationele economie.
Deze Vita Nova kan een relationele economie laten ontluiken, gestoeld op wederkerigheid, emergentie en symbolische waarden. Een Logos Vivens – een levende logos – waarin het denken ethisch, existentieel en waarachtig wordt. Maar hiervoor moeten de burgers, de individuen, bereidt zijn de afgrond van hun ziel te ontmoeten, zijnde een mens te worden die zich ontkleedt van zijn gecreëerde afgoden kapitaal, consumptie, nuttigheid. Een handelen op basis van menselijke waardigheid in plaats van de economische drift. Zambrano stelt terecht
Zambrano stelt: “La razón poética es la única que puede escuchar el grito de lo que no tiene voz.”12
Conclusie
De integratie van María Zambrano’s poëtische rede in het economische domein veronderstelt een transgressie van de heersende economische rationaliteit. Het verschuift het economische paradigma van kwantitatieve optimalisatie naar kwalitatieve resonantie, van accumulatie naar betekenisvolle verbondenheid, en van een economisch subject dat de wereld beheerst naar een subject dat de wereld bewoont. Waar de huidige economie wordt gekenmerkt door meetbaarheid, controle en optimalisatie, stelt de poëtische rede een logos vivens voor: een levende taal waarin economische handelingen hun grond vinden in ethische ontvankelijkheid, symbolische betekenis en menselijke waardigheid. Deze omvorming heeft het potentieel om sociale duurzaamheid te verankeren in de microfunderingen van economisch handelen.
Deze heroriëntatie verplaatst de kern van de economie van instrumentele efficiëntie naar een beginsel-ethiek, waarin relationaliteit, tijdservaring en zielsverbondenheid voorrang krijgen op abstracte marktlogica. Het economisch handelen wordt hierdoor geen louter transactionele activiteit, maar een vorm van ethisch-poëtische aanwezigheid in de wereld.
In dit perspectief is de economie niet het domein van productie en consumptie als doel op zich, maar een ruimte van wederkerigheid, emergentie en contingentie — een huis van het leven waarin de mens niet van, maar in de wereld is. De poëtische rede is een ethische roeping om de economische wetenschap en praktijk te humaniseren, niet door meer regels, maar door een intelligente manier van kijken en zijn.
Bibliografie/ Voetnoten
- Gómez-Cadavid, M.P. (2013). La razón poética de María Zambrano. Aleph Revista, 167, 63–68. ↩
- Bart, É. (2019). Les Incandescentes: Simone Weil, María Zambrano et Cristina Campo. Cercle Jean Mermoz. ↩
- Santacruz-Ibarra, H. (2013). María Zambrano: el partido por el hombre. Aleph Revista, 167, 36–47. ↩
- Zambrano, M. (1989). Claros del bosque. Madrid: Ed. Siruela. ↩
- Matito, M.S. (2020). Razón poética en María Zambrano. El Búho, 26, 145–175. ↩
- Von Saenger, B. (2016). Zambrano, María: El Hombre y lo Divino. Fondo de Cultura Económica. ↩
- Blesa, M.G. (2022). El pensamiento vivo de María Zambrano. Verbeia, 6, 69–84. ↩
- Blanco-Martínez, R. (2013). María Zambrano en América. Aleph Revista, 167, 77–82. ↩
- Quero, F.M. (2024). El sentido de la poesía en María Zambrano. Sur, 19(3). ↩
- Acevedo, G.J. (2008). Razón poética y Heidegger. Aurora, 9, 6–14. ↩
- Burgos-Lafuente, L. & Tatjana, G. (2016). María Zambrano en diálogo. Journal of Spanish Cultural Studies, 16(4), 329–333. ↩
- Zambrano, M. (1989). Claros del bosque, p. 45. ↩